Hoe brengen we dat in de praktijk?

We zetten bijvoorbeeld actief appelroofmijten uit in onze boomgaarden als natuurlijke vijand van de schadelijke fruitspinmijt. De rijkelijk aanwezige fauna trekt insectenetende vogels en vleermuizen aan. Roofvogels eten muizen op.
In de groenteteelt kunnen preimot en wortelvlieg heel wat schade toebrengen aan onze bladgewassen. Ook hier is de biologische bestrijding erop gericht de aanwezigheid van natuurlijke vijanden van de belagers te bevorderen in en rond de percelen. En breekt er toch een heuse rupsen- of bladluizenplaag uit, dan werken we volgens het systeem van 'waarnemingen en waarschuwingen': als telers houden we onze percelen voortdurend nauwlettend in het oog en volgen we de waarschuwingen die we krijgen van proefstations. Dringt het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen zich toch op, dan doen we dat lokaal, op het juiste moment en met selectief werkende middelen, waardoor we het potentieel aan natuurlijke vijanden in stand houden of zelfs opbouwen en groenten en fruit hun optimale kwaliteit behouden.